Talitha ging eens bushcraften en dat ging precies zoals je zou verwachten (deel 1)

Deze reportage verscheen eerder al in bookzine 8 van Charlie Magazine van oktober 2018, met als thema ‘Wild van hart’. Dat kan je hier nog steeds nabestellen. 

Ik ben absoluut geen natuurmens. Ik hou niet van boswandelingen, kamperen, insecten, modder of ergens zijn zonder WiFi. Bomen en planten interesseren me bitter weinig. Een reisje naar de Ardennen is voor mij eerder een straf dan een vakantie. Ik beschik over geen enkele skill die nuttig kan zijn om te overleven in het wild. Kortom: de ideale persoon om voor Charlie drie dagen op cursus bushcrafting te gaan.

Bush-watte? Bushcrafting. Een soort survival voor stadsmietjes: overleven in de natuur, maar dan wel met handige hulpmiddelen zoals tenten en een koelbox. Je hoeft dus niet volledig zelfvoorzienend te zijn. Gelukkig maar. Mijn lief kookt elke avond voor me en mijn mama maakt nog steeds m’n tandartsafspraken. Hallo, mijn naam is Talitha en ik kan niks.

Daar belooft deze cursus verandering in te brengen. Op het programma staat onder andere vuur maken, water zuiveren, zelf eten plukken en shelter bouwen. Klinkt veelbelovend. Ik ben bang voor vuur, extreem onhandig en ik lust geen paddenstoelen, dus dat komt he-le-maal goed.

Bushcrafting ligt verschrikkelijk ver uit mijn comfort zone. Om je een beeld te geven: mijn ouders sleepten vroeger tijdens elke kerstvakantie onze videorecorder plus de halve inventaris van de plaatselijke Videoland mee naar de Ardennen, omdat ze me met geen stokken mee kregen op boswandelingen. Ik had ook een gruwelijke hekel aan de herfst, bij uitstek het seizoen waarin de juf je met een of andere boswachter opscheept om in de modder kastanjes te gaan verzamelen. De enige reden dat ik ooit een boomhut wilde was om ergens op mijn gemak te kunnen lezen. Om maar te zeggen: geen natuurmens. Nooit geweest.

Maar goed, ik besluit voor deze opdracht eens keihard mijn comfort zone te verlaten. Talloze virtuele tegeltjeswijsheden vertellen mij dat daar alleen maar good things van komen, en wie ben ik tenslotte om dat tegen te spreken?

Ik word op vrijdagavond verwacht in de middle of nowhere in de Ardennen, met een slaapzak, matje, hoofdlamp, kampeerstoel en 6 liter drinkwater. Voor het eerst in mijn zesentwintigjarige leven trek ik daarom naar de Decathlon, het Walhalla van de Outdoor- en Sportliefhebbers (oftewel: mijn totale tegenpolen). Na een kwartier sjokken tussen eindeloze rijen vol trainingsbroeken, drinkbidons en zweetbandjes is het me al veertien minuten duidelijk dat ik niet graag in de Decathlon ben. Alles ruikt er naar rubber en inspanning. In de reflectie van de kassa zie ik een meisje dat verdacht hard op mij lijkt een paar spuuglelijke, waterdichte wandelschoenen afrekenen. Ik wens haar veel sterkte toe.

Twee uur en een smerige wegrestaurantpizza later kom ik aan op de bivakplaats: een afgelegen grasveld tussen een gigantisch bos, een idyllisch beekje en een wei vol koeien. Er is geen asfaltweg, geen straatverlichting en – zo blijkt al na twee stappen uit de auto – geen sikkepit bereik op m’n telefoon. Pas na het opzetten van mijn tent (enfin, het neersmijten van een 2-seconden-Quechua-exemplaar) besef ik dat er nog iets ontbreekt: bakstenen. Er is geen gebouw. En dus ook geen elektriciteit of stromend water. “Huh,” denk ik in mijn naïeve onschuld, “waar ga ik dan douchen?” Het duurt nog een halve minuut voor de logische volgende vraag zich in volle paniek vormt in mijn hoofd: “EN WAAR GA IK DAN NAAR DE WC?!” Hoe hard ik ook probeer, ik kan me met de beste wil van de wereld niet herinneren dat ‘boskakken’ op het lijstje met lesonderwerpen prijkt. Ik word een beetje licht in mijn hoofd bij het idee van neerhurken in een donker bos vol wilde beesten en insecten om mijn lady bits met bladeren af te vegen, maar er is geen weg meer terug. (Letterlijk, want mijn lief heeft me hier gedropt en ik heb geen auto.) Ik slik mijn zenuwen weg en stap af op de organisatoren.

Mark en Kornel zijn de Nederlandse mannen die deze cursus begeleiden. Ze zien er niet per se heel ruig of onverzorgd uit. Gewoon als twee doorsnee mannen uit doorsnee Nederlandse dorpen, eigenlijk, zij het dan wel van kop tot teen in kaki gekleed. Na het handjesschudden schuif ik aan rond het kampvuur, bij de rest van de groep. We zijn in totaal met twaalf deelnemers, waarvan negen Nederlanders. Ik schat de meesten rond de dertig. Het is inmiddels al zo donker dat we het voorstelrondje maar uitstellen tot morgen.

Rond tien uur ga ik slapen, maar vier uur later ben ik nog steeds klaarwakker. Het is ijskoud in mijn tent en in tegenstelling tot popular opinions blijkt de natuur allesbehalve stil en rustgevend te zijn. In mijn kleine, donkere tentje hoor ik alles. Het ruisen van de bomen, gekraak van takken, geroep van uilen, een eenzame ezel in de verte en het onophoudelijk stromende beekwater. (Vooral dat laatste is niet handig als je jezelf hardnekkig voorhoudt om alle natuurlijke behoeftes drie dagen lang op te schorten, tot er weer een doorspoelknop beschikbaar is.) Zo in de duisternis, in de kou en zonder bereik op mijn telefoon bekruipt me ineens een intens gevoel van eenzaamheid. Ik word een beetje verdrietig van het idee dat ik hier helemaal in m’n eentje ben, ver weg van de bewoonde wereld en iedereen die ik liefheb. Ik duik weg in mijn slaapzak als een soort rups in een cocon en uiteindelijk val ik in slaap.

Om half acht word ik gewekt door het geluid van enthousiast houthakkende mensen. Ik kleed me aan, of toch zo goed en zo kwaad als dat kan in de verplichte halve foetushouding die je in een eenpersoonstentje moet aanhouden, en rits mijn voordeur open. Ik rek me uit en geniet van een, toegegeven, best wel fenomenaal uitzicht: groene weides met vredig kauwende koeien, overal bomen en bergen, met daarboven een strakblauwe lucht en een stralende zon. Een mens zou er bijna een natuurliefhebber door worden, of toch als die mens iemand anders was dan ik.

Even later moet ik bekennen dat het wel iets heeft, zo met z’n allen keuvelend in een kringetje rond het knetterende vuur zitten en rustig ontwaken in de buitenlucht. Zelfs al smaakt de oploskoffie naar houtskool en teleurstelling. Na het ontbijt volgt het officiële voorstelrondje. Iedereen vertelt wie hij of zij is en waarom ze aan deze cursus deelnemen. De verhalen gaan van ‘zat vroeger bij de scouts’ en ‘gaat twee keer per jaar kamperen’ tot ‘werkt in de stad maar wil vaker tijd in de natuur doorbrengen.’ Iedereen hier is duidelijk een natuurliefhebber die staat te popelen om te bushcraften. Dan ben ik aan de beurt. “Hallo, ik ben Talitha, ik ben 26 jaar en ik neem deel aan deze cursus omdat ik ervoor betaald word.” In de verte hoor ik een krekel.

Dan is het tijd voor de eerste les: de basisbeginselen van kamperen. Ik leer van alles over houthakzones en het opbergen van materialen, maar onthoud vooral dat teken de allergevaarlijkste beesten in het bos zijn. Vergeet wilde zwijnen en vossen: na een kwartier vol verhalen over de ziekte van Lyme en verborgen beestjes in oksels, knieholtes en bilspleten ben ik officieel doodsbenauwd. Mark vertelt dat teken bereid zijn om flinke afstanden af te leggen vanaf de grond tot het eerste beschikbare stukje huid. Dat moet je hen dus zo moeilijk mogelijk maken. Een tikje bleker dan daarnet neem ik even een momentje om fanatiek beide broekspijpen in m’n kousen te proppen en mijn shirts in m’n broek. Bijzonder charmant staat het niet, maar ik verwacht niet meteen om Jani hier tegen te komen.

Vervolgens blijkt er nog een heuse etiquette te bestaan rond het fenomeen boskakken. Zo dien je je resultaat te decoreren met een bergje aarde en een stokje, zodat iedereen in de wijde omgeving weet wat daar gebeurd is. Ik luister. Ik knik. Maar ik ben niet van plan om de theorie dit weekend in de praktijk te brengen. We hebben het hier over iemand die zich als puber voor elk festival consequent vol Immodium stopte, om zo nooit langer dan een minuut in een Dixi-toilet te moeten doorbrengen. Om de Vlaamse radiocoryfee en allround wijsgeer Sam De Bruyn, van wie ik die tip destijds had overgenomen, even vrijelijk te citeren: “Dan nog liever drie dagen rondlopen met een lijf vol kak.”

Na dit smakelijke lesje gaan we over op weerkunde. We krijgen A4’tjes met Latijnse wolknamen en een gigantisch schema met luchtlagen voorgeschoteld. De abstracte materie van warmtefronten en stijgende/dalende lucht is echter niets voor mij. Sorry, Mark, het ligt zeker niet aan je educatieve kwaliteiten. Sommige mensen zijn nu eenmaal goed in fysica en aardrijkskunde, anderen zijn eerder geschikt om dt-fouten te spotten (drie op de voorkant van het A4’tje). Mijn bijdrage bestaat dan ook vooral uit een uur lang glazig kijken.

Rond de middag trekken we het bos in. Na een uurtje stappen kondigt Kornel aan dat we hout gaan sprokkelen. In deze cursus maken we niks dood, dus worden er enkel dode bomen en takken gebruikt. Mijn mededeelnemers toveren meteen allerhande materiaal tevoorschijn uit zakken en ritsen van schier bodemloze rugzakken. Uitklapbare en opvouwbare messen, zagen en bijlen zijn blijkbaar doodnormale dingen om op kampeertocht mee te nemen. Mijn zakken bevatten niet veel meer dan een zonnebril, een paar elastiekjes en mijn in een vlaag van puur optimisme meegenomen telefoonoplader.

Nadat ik een tijdje nutteloos heb staan wezen, vraagt een deelneemster heel lief of ik zin heb om ook even gezellig een boom om te hakken met haar kekke opvouwbare bijl, op zo’n toon alsof ze me daar ongetwijfeld een gigantisch plezier mee doet. Ik kijk naar de bijl en naar de boom en hoor het in Keulen donderen. Ergens weet ik wel dat hout hakken op zich niet zoveel voorstelt, maar ik ben een kluns. En ik heb werkelijk geen flauw idee hoe ik eraan moet beginnen. Hoe moet je staan? Hoe houd je zo’n ding vast? Heb ik überhaupt genoeg spierkracht om meer dan een krasje op de stam te maken? Gaat iedereen mij niet keihard uitlachen? Ik bezit vier universitaire diploma’s en beschouw mezelf als een redelijk intelligent vrouwmens, maar drop mij zonder Google in een bos en ik heb ineens het denkvermogen van een zak soepgroente.

Na het houthakken stappen we nog een dik uur door, tot bovenop de berg, waar we getrakteerd worden op een geweldig uitzicht. En, zo meldt mijn telefoon me ineens, een ijzersterke 4G-verbinding! Ik kan het niet laten om toch even snel mijn lief te appen en een beetje te Instagrammen. Voornamelijk om dramatisch te doen over offline zijn, like the fucking millennial I am. In werkelijkheid heb ik het echter niet gemist. Het gebrek aan communicatie met mijn dierbaren, dat wel. Maar social media of nieuwssites? Hoegenaamd niet. Daarnaast heb ik me ook geen seconde zorgen gemaakt over het huishouden of het feit dat ik maandagochtend aan mijn eerste werkdag bij een nieuwe job begin. Het is me simpelweg ontgaan. Hm, misschien wordt het toch nog wat met dat hele ‘ontspannen in de natuur’.

Na de wandeling keren we terug naar onze bivakplaats om vuur te maken: voor de meeste deelnemers het absolute hoogtepunt van de cursus. Hoe dat precies is afgelopen en of/hoeveel deelnemers ik per ongeluk in de fik heb gestoken, lees je volgende week in deel 2.

SPAHNOND!!!

4 thoughts on “Talitha ging eens bushcraften en dat ging precies zoals je zou verwachten (deel 1)

  1. HAHAHA geweldig! Je hebt het wel goed gedaan zo te lezen! Ik zou dat eigenlijk wel nog tof vinden als ik dat met mijn lief zou doen, maar niet in mijn eentje met veel mensen die ik niet ken :p Naar de wc gaan zou bij mij ook niet gebeuren in’t bos en ik ben ook als de dood voor teken. Mijn lief is wel echt iemand die dit de max zou vinden. Dingen gaan kappen in’t bos met zijn bijl, vuur maken, beesten spotten.

  2. Cliffhanger! En heel herkenbaar. Al moet ik bekennen dat ik de natuur de laatste jaren iets meer ben gaan waarderen, al ben ik een kluns en een mietje. Ik heb al een paar keer huilend op een berg gestaan (letterlijk). Dus ik vind dat je je goed door houthakken en slapen met natuurgeluiden heen hebt geslagen.

Geef een reactie