Talitha ging eens bushcraften en dat ging precies zoals je zou verwachten (deel 2)

Dit is deel 2 van mijn spannende avonturen in de Ardennen. Deel 1 lees je hier. Deze reportage verscheen eerder al in bookzine 8 van Charlie Magazine van oktober 2018, met als thema ‘Wild van hart’. Dat kan je hier nog steeds nabestellen. 

Na de wandeling keren we terug naar onze bivakplaats om vuur te maken: voor de meeste deelnemers het absolute hoogtepunt van de cursus. De eerste methode die we uitproberen is fire steel, oftewel het goeie ouwe magnesiumstokje. Het vergt wat techniek om op de juiste manier en met voldoende kracht over het stokje te schrapen, maar dan springen er naar hartelust vonkjes uit. Dat doe je in de buurt van zogeheten fire starters, zoals stukjes berkenschors, verkoold katoen of watjes met Vaseline. Et voilà: vuur!

Met de tweede methode maak je een vonkje in een nestje van hooi, dat je vervolgens in beide handen dichtknijpt om in te blazen. Daarna volgt een intensief proces van blazen in het nestje en het weer van je weg zwaaien, net zo lang tot er rook is en het hele ding in de fik staat. Na een tijdje staat onze hele groep in een cirkel te blazen in en te wapperen met een rokende bol hooi. We zijn net een groepje sjamanen in een spannend ritueel. Ik ben vrij zeker dat deze methode voor je longen overeenkomt met een heel pakje sigaretten in één keer oproken, maar bon. Alles voor de reportage!

De laatste methode is de vuurboog. Dat vergt een hoop gedoe met stukjes hout in verschillende vormen en een soort boog die je tot in den treure heen en weer moet wrijven, tot je een hoopje houtskoolpoeder bekomt waar met een beetje geluk een vonkje in ontstaat. Na vijf minuten hartstochtelijk wrijven met de vuurboog geeft elke vrouw in de groep het al op. De mannen blijven doorgaan, met rode hoofden en bezwete lijven. Een half uur later heeft nog niemand vuur gemaakt. Hoe weinig voeling ik ook heb met bushcrafting, de vent die deze methode om vuur te maken ooit heeft uitgevonden, snapt werkelijk nog minder van survivallen dan ik.

Na het vuurlesje gaan we het avondeten voorbereiden. Ik ga samen met de Antwerpse Wim en zijn twaalfjarige dochter Lore brandnetels en weegbree plukken. Deze cursus is een origineel cadeau van Wim in plaats van een lentefeest. Lore is een spontaan en opgewekt meisje waar ik mijn eigen jonge zelf van geen kanten in herken, want ik was oprecht in tranen uitgebarsten als iemand mij een weekend wildernis had geschonken in plaats van Disneyland Parijs.

De hele groep bestaat uit verwoede natuur- en kampeerliefhebbers, voor wie deze cursus een leuk weekendje weg is. Op een bepaald moment hoor ik iemand de Decathlon omschrijven als een snoepwinkel. Om maar te zeggen: deze mensen staan bijzonder ver van mijn leefwereld verwijderd. En toch kan ik het goed met hen vinden. Meer zelfs: de gezelligheid in de groep is de voornaamste reden dat ik dit weekend niét verschrikkelijk vind. Het enthousiasme en de goesting om hier te zijn, spat van mijn medecursisten af. Voor de sfeer is het een goede zaak dat er slechts één onvrijwillige journalist deelneemt.

’s Avonds verzamelen we opnieuw rond het kampvuur. We proeven onze zelfgemaakte brandnetelsoep. Die mag dan wel geweldig gezond zijn, het smaakt vrijwel nergens naar. Ik kan het niet beter omschrijven dan warm water met een vage spinaziesmaak. Uit culinaire overwegingen dumpen we er toch maar een groentebouillonblokje in. Het hoofdgerecht bestaat uit instant aardappelpuree met verse weegbree (een soort onkruidrucola) en gerookte makreel uit een pakje. Ik houd niet van makreel, maar ik scheur van de honger en dus speel ik het gulzig naar binnen.

Mijn tweede nacht verloopt een stuk beter dan de eerste. Een dag vol wandelen en (staan kijken hoe anderen) houthakken is dan ook best vermoeiend. Bovendien slaap ik deze keer, op aanraden van Mark, met oordopjes in, twee laagjes kleren aan en een trui rond mijn nek gewikkeld. Ik val vrijwel meteen in slaap.

De volgende dag trekken we opnieuw het bos in. We lunchen bij een klein watervalletje, waar we een lesje krijgen over waterzuivering. Ik bedenk hoe frappant het is dat juist nu, op het hoogtepunt van de technische ontwikkeling en onze Westerse welvaart en comfort, mensen hier massaal terug naar de basics willen. Voor sommige deelnemers is een survivaltocht in de woeste bossen van Scandinavië het summum. Ze hebben een heel romantisch beeld van de natuur en praten misnoegd over de kapitalistische, moderne maatschappij. Tegelijkertijd zitten hun industrieel geproduceerde rugzakken wel vol met uitklapbare zagen en felroze drankbidons. Ze bewonderen elkaars waterdichte bergschoenen en parachutebroeken met een dozijn ritsen. Tijdens het hele lesje hoor ik geen enkele waterzuiveringsmethode die niet minstens één menselijke uitvinding vergt, zelfs een stuk plastic. Aan het einde van de rit blijkt er zonder een beetje kapitalisme toch niet veel van je stoere survivaltocht in huis te komen.

En zo frons ik wel vaker dit weekend. Ik erger me aan de achteloze manier waarop iemand de natuur ‘toch de beste schoolbank’ noemt, ter vergoelijking van het feit dat onze vijftienjarige deelnemer een dag spijbelt voor deze cursus. Ja, het is makkelijk om als geletterde Westerling zoiets te beweren, maar herhaal dat eens tegen de miljoenen kinderen die niet naar school kúnnen gaan. Zij brengen elke dag door in de natuur, maar veel gelukkiger worden ze er niet per se van. Dat geïdealiseerde beeld van ‘de natuur’, ik krijg er de kriebels van.

Tijdens de rest van onze wandeling leren we dierensporen herkennen. Er wordt wat met een stok in roze kak geroerd, waarschijnlijk van een ree die te veel rode bessen heeft gegeten. Met z’n allen bouwen we nog een shelter met niks anders dan natuurlijke materialen. Het resultaat is een leuk hutje waar je met twee mensen in kan slapen. Ondanks onze verwoede pogingen is het niet wind- en waterdicht, maar toch zeker wel gezellig. Een paar mensen gaan erin liggen om een foto te nemen, tot iemand ontdekt dat het er vol teken zit. Kornel haalt alvast de tekentang boven.

En zo loopt het weekend stilaan op z’n einde. Bij het afscheid van de groep vraagt men wat ik nu van de cursus vond. Goh. Zal ik het nog snel eens opnieuw doen? Zeker niet. Heb ik me keihard geamuseerd? Ook niet echt. Maar ik heb wel een hoop dingen bijgeleerd. Ik ben uit mijn comfort zone getreden. Ik heb een hoop fijne mensen leren kennen waarvan ik vooraf dacht dat ze absoluut niet my kinda people zouden zijn. En ik ben drie dagen lang al mijn dagelijkse beslommeringen vergeten. Bovendien ben ik nu beter voorbereid op de zombie-apocalyps dan de gemiddelde stadsmens en dat stelt me toch ook enigszins gerust.

Eenmaal thuis ga ik linea recta in een heet bad liggen. Ik geniet met volle teugen van warm water, zeep, WiFi en wijn binnen handbereik, en het feit dat de enige boom in de nabije omgeving die ene neppe op mijn arm is. Straks ga ik nog even lekker de wc gaan doorspoelen. Gewoon, omdat het kan.

5 thoughts on “Talitha ging eens bushcraften en dat ging precies zoals je zou verwachten (deel 2)

  1. Hey Tailtha, ik heb je blog net ontdekt en vind ‘em super! Wat schrijf je heerlijk, heb meerdere keren hardop moeten lachen. Fijn ook, met die Vlaamse woorden tussendoor. Ik ga je blog in de gaten houden via Bloglovin!

Geef een reactie