Het verhaal van een random ontmoeting in Amsterdam die me misschien ooit multimiljonair zal maken

Een tijdje geleden verscheen op deze blog een oude column van mijn hand, over in je eentje ‘sociale’ dingen doen, zoals op restaurant gaan. Eerlijk gezegd heb ik die tekst voornamelijk online gezwierd om met een minimum aan moeite dit persoonlijke hoekje van tinternet nog enigszins op te vullen, zonder er verder echt bij na te denken. Maar toen reageerde Amber met een anekdote in de comments die mij meteen terug katapulteerde naar een zomerse dag in Amsterdam, jaren geleden, waarop ik in mijn eentje iets zat te drinken en vervolgens een bijzonder boeiende namiddag beleefde met een volslagen wildvreemde Ier, die me misschien ooit nog multimiljonair zou kunnen maken.

Wat bazelt ge nu feitelijk allemaal, Talitha?

We zeggen ende schrijven de zomer van 2010. Ondergetekende was toen 18 jaar, going on 19, en woonde net een jaar helemaal in haar alleentje in Amsterdam, ver weg van vrienden en familie. Enfin, helemaal alleen was het ook niet, want ik deelde op dat moment een krakkemikkig appartement op het Damrak – voor de Vlamingen: je weet wel, die lelijke toeristische straat vol souvenirwinkels, slechte restaurants en het Sexmuseum, tussen het Centraal Station en de Dam – met twee huisgenoten. Ik heb er slechts een maand of vier gewoond en alsnog kan ik er bijna een boek over schrijven, denk ik, over die periode.

Het appartement was raar. De locatie leek uitstekend – hartje Amsterdam! – maar was eigenlijk onleefbaar. Het Damrak wordt elke seconde van elke dag ingenomen door ofwel vrachtwagens van leveranciers, ofwel mensen, voornamelijk toeristen, die niet veel meer doen dan tergend langzaam slenteren, in de weg staan en afval achterlaten. Het gelijkvloers van ons pand werd ingenomen door een American sports bar, van het Hooters-type met chagrijnige serveersters in net iets te krappe glanzende outfits met hotpants. De eerste verdieping stond leeg, en zo te zien/ruiken al láng, en ik wil niet weten wat daar stiekem allemaal tussen het stof en het puin woonde. Ons appartement zat op de tweede verdieping, maar om er te geraken moest je eerst via 278 gammele houten trappen langs de achterkant/buitenkant van het pand omhoog, onderweg luid pratende serveersters tijdens hun rookpauze ontwijkend, dwars door het onverlichte leegstaande deel, hopend dat je nergens je benen zou breken, om vervolgens het ‘dakterras’ over te steken naar onze voordeur. Fun fact: het dakterras was de voornaamste verzamelplaats voor de vuilniszakken van de bar beneden (?) en rook permanent naar hamburgers dankzij de gigantische ventilatiekoker van hun keuken die erop uitkwam. (En dan moet je weten dat een van mijn twee huisgenoten vegan was.)

Luxueus dakterras, lelijke ventilatie er vakkundig uit gekadreerd

Het appartement zelf was scheef (maar dat heb je nu eenmaal in oude Amsterdamse panden in het centrum, door al het water), waardoor je ronde objecten steevast op de vloer moest gaan zoeken in plaats van op de tafel waar je het vijf minuten eerder had achtergelaten. De woonkamer en keuken waren groot en hadden uitzicht op de bruisende winkelstraat, wat erg fijn was, maar mijn slaapkamertje had geen ramen (fun!) en om de een of andere reden was de kortste weg vanuit de gang naar de kamers een deurgat van ongeveer een meter hoog, waar je dus gebukt doorheen moest. Na een maand ontdekte ik dat het binnen regende in zowel de woonkamer als mijn eigen kamer. De was deed je in een stoffig zolderkamertje waar je enkel voorovergebogen je kleren kon tetrissen op het kleinste wasrekje known to mankind. In de keuken was de enige vorm van decoratie een gigantisch geschilderd portret van Tupac (waarover ik pas veel later, puur bij toeval, leerde dat het jaren daarvoor via een ruiltocht van mijn eigen studievereniging daar was beland). O ja, en het zat er VOL met muizen.

Tupac-schilderij in kwestie, begeleid door mijn 18-jarig hoofd vol metaal en toen zelfs nog her en der een verdwaalde dreadlock (je ziet, vroeger was ik cool, met peace signs en alles)

Ik had twee huisgenoten: een vrij normale jonge vrouw (vegan, into yoga, je weet wel) en Dimitri, een Bulgaarse kok die ik hoop en al vijf keer in levenden lijve heb gezien. Hij werkte vooral ’s nachts (?) en overdag sliep hij of speelde hij online poker. Ik heb in totaal misschien vijftien woorden met hem uitgewisseld, ook al deelden we een woning. Uiteindelijk verhuisde Dimitri terug naar Bulgarije zonder er ooit een woord tegen ons over te zeggen. Het pand was blijkbaar verkocht en de enige reden dat we dat ontdekten was omdat op een dag ineens de elektriciteit werd afgesloten. Toen hadden we nog welgeteld DRIE dagen om nieuwe woonruimte te vinden. In Amsterdam. Denk: de zoektocht naar woonruimte in Brussel of Antwerpen, maar de moeite die dat kost keer vijf, en de huur keer tien. Ik verbleef op dat moment net weer even in Ieper, omdat ik er een studentenjob deed, en mocht na een paniekerig telefoontje van mijn huisgenote dus halsoverkop met een camionette en bijzonder verbolgen ouders naar Amsterdam rushen om mijn hele hebben en houden nog maar eens een keer te verhuizen. Fun times were had by absolutely no one, behalve misschien den Dimi, daar in Bulgarije. (Gelukkig vond mijn huisgenote toen heel snel een nieuw appartement én kon ik met haar mee, dus eind goed, al goed.)

Verder spelen noch mijn huisgenoten, noch het appartement enige rol in het verhaal dat ik wil vertellen, maar nu ik er eenmaal aan terugdenk besef ik pas hoe ~ wild~ het allemaal eigenlijk was en ik wilde het jullie toch niet ontzeggen. (Stel u voor dat ik in 2010 al een blog had, jongens? Wat een prachtig leesvoer wat me dat geweest! Ahh, vroeger, toen ik nog een raar en boeiend leven had.) 

Enfin. Terug naar wat ik dus eigenlijk wilde vertellen. Ik was bijna 19, studeerde literatuurwetenschap en sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, leerde voor het eerst hoe ik moest dweilen en de was doen en eieren koken enzovoort (wilde tijden, ik zeg het u toch!), kortom op eigen benen staan, en ik woonde net een paar weken in een raar appartement. Oranje deed het gewéldig op het WK in Zuid-Afrika en stootte door naar de finale, waardoor heel Nederland wekenlang op z’n kop stond. In de week van de finale zat ik op een zonnige namiddag in de La Place bij het Muntplein een beetje op mijn laptop te tikken (ik had toen net examens, of moest een paper indienen of iets dergelijks) en zo lang mogelijk met één dure smoothie te doen, want student life, aan zo’n grote tafel die altijd uitnodigt om bij elkaar te zitten.

Ingang van ons pand, waarvan het gelijkvloers toen nog een sports bar was

En zo geschiedde: een Ierse gast, ergens in de twintig, ging tegenover me aan tafel zitten. Op een gegeven moment sprak hij me aan – hij vroeg of ik een local was, omdat hij nog een hostel zocht voor die avond. We raakten aan de praat, Séan en ik, we dronken koffie, we lachten. Het was een bijzonder boeiende namiddag vol lange gesprekken over onze levens, onze landen, mijn studies, het voetbal, de politiek, what have you not. De herinneringen zijn vaag, maar ik weet dat we op een gegeven moment door de stad hebben gewandeld, op zoek naar een hostel voor hem, en toen hij een tijdje zijn backpack kwijt moest om later weer op te halen, stelde ik voor om die bij mij thuis achter te laten. Zodoende nam ik een wildvreemde vent mee naar mijn appartement zonder me er enige vragen bij te stellen (?), maar gelukkig bleek hij geen dolgedraaide axe murderer te zijn en kan ik het nu obviously nog allemaal navertellen.

Séan tekende graag, en aan mijn keukentafel vertelde hij me over zijn droom om een eigen graphic novel uit te brengen. Hij liet me de eerste kladversie zien, waar hij al maanden mee bezig was: een beduimeld pak papieren vol schetsen in potlood en pen, en prachtig gedetailleerde tekeningen van de straten van Dublin. Hij tekende heel graag mensen op straat en pakte prompt zijn notitieboekje om in tien minuten tijd een portretje van mij te schetsen. Hij zou het later nog afwerken en dan mocht ik het hebben, zei Séan, als dank voor mijn hulp en gastvrijheid in die voor hem zo onbekende stad. (Nooit gekregen, overigens. Vind ik nog steeds jammer.) Wat later scheidden onze wegen – ik ging ergens met vrienden naar een match kijken, geloof ik, en hij ging nog wat ronddwalen. Later op de avond kwam hij zijn backpack weer ophalen, bedankte me nogmaals uitgebreid en stuurde me een vriendschapsverzoek op Facebook. En weg was Séan.

De onverlichte trappenhal waar ik vaker dan me lief was bijna ledematen heb gebroken

Het duurde nog twee jaar voor ik ontdekte dat hij die dag de kladversie van zijn levenswerk bij mij thuis was vergeten. Op de een of andere manier was het tussen een stapel papieren terechtgekomen en pas bij een latere verhuis weer boven water gekomen. Vol schuldgevoel heb ik hem toen een berichtje gestuurd. Hij was blij om te horen dat die gekoesterde eerste versie ergens was opgedoken, maar gelukkig was het geen ramp geweest want blijkbaar had hij nog ergens een andere versie liggen. Uiteindelijk heeft hij het zelfs afgewerkt én gepubliceerd. Voor de nieuwsgierigen: dit is de graphic novel in kwestie.

Het is zo te zien nooit een doorslaand succes geweest, maar hey, you never know: misschien wordt Séan ooit nog een wereldberoemde Ierse kunstenaar die alle verkooprecords verbreekt. En dan heb ík dus maar mooi de allereerste kladversie in handen. En verkoop ik het. En word ik multimiljonair.

En dat, beste vrienden, is het verhaal van de allerslechtste clickbait die ooit op deze blog is verschenen. (Maar entertainend was het hopelijk wel.)

You’re welcome hé zeg!

One thought on “Het verhaal van een random ontmoeting in Amsterdam die me misschien ooit multimiljonair zal maken

  1. Het was misschien de allerslechtste clickbait die ooit op deze blog is verschenen, ik ben blij dat ik er de inspiratie voor mocht zijn. Was best leuk om te lezen. Ik wilde echt weten waar dit naartoe ging.

    Gek seg, dat je het daar nog best lang vol hebt gehouden in dat huisje in Amsterdam. Ik zou mij daar echt totaal niet op mijn gemak voelen.

    Jammer voor Sean dat zijn werk niet echt is doorgebroken, maar inderdaad, misschien ooit. 😉

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.